De bouw- en maakindustrie staat voor een stapeling van uitdagingen. Vakmensen zijn schaars, kennis dreigt verloren te gaan, AI verandert de manier waarop werk wordt georganiseerd en regelgeving zet bedrijven regelmatig voor nieuwe vraagstukken. Hoe blijft de branche onder die omstandigheden slagvaardig en internationaal concurrerend? Tijdens een rondetafelgesprek in het kader van het 20-jarig jubileum van PROFIEL werden vier prikkelende stellingen op tafel gelegd. Van het ‘geheim’ om personeel vast te houden tot de vraag of de overheid inmiddels eerder remt dan helpt. De antwoorden lopen uiteen, maar één rode draad wordt zichtbaar: wie vooruit wil, zal zelf verantwoordelijkheid moeten nemen én bereid moeten zijn om samen te werken.

Personeel behouden begint volgens de deelnemers niet met een standaard HR-beleid, maar met luisteren. Wat de ene medewerker nodig heeft om betrokken te blijven, kan voor een ander juist averechts werken. Voor sommigen betekent werkplezier vooral vrijheid en verantwoordelijkheid. Zij functioneren beter wanneer zij niet voortdurend worden gecontroleerd, maar ruimte krijgen om zelf keuzes te maken en worden aangesproken op het resultaat. Anderen hebben juist behoefte aan duidelijke kaders en willen precies weten wat er van hen wordt verwacht.
De kunst is daarom om medewerkers als individu te benaderen. Dat vraagt om gesprekken en oprechte aandacht voor wat iemand belangrijk vindt. Ook ontwikkeling speelt daarbij een belangrijke rol. Opleidingen, trainingen en de mogelijkheid om binnen een organisatie andere verantwoordelijkheden op te pakken, kunnen medewerkers perspectief bieden. Dat hoeft overigens niet voor iedereen hetzelfde te betekenen. Niet iedere medewerker heeft behoefte aan een opleiding of een volgende stap; sommigen willen vooral hun huidige vak goed blijven uitoefenen.
Opvallend is de bereidheid bij de deelnemers om ook een andere realiteit te accepteren: goede medewerkers blijven niet altijd. Wie zich sterk ontwikkelt, kan uiteindelijk doorgroeien naar een andere functie of organisatie. Dat hoeft niet uitsluitend als verlies te worden beschouwd. Kennis en ervaring bewegen zich zo door de branche. Personeel behouden betekent dus niet per definitie iedereen binnen dezelfde kaders houden, maar ruimte bieden waar dat kan, duidelijkheid geven waar dat nodig is en ontwikkeling mogelijk maken.
Is het personeelstekort een probleem dat de branche zichzelf heeft aangedaan? De deelnemers vinden die stelling te kort door de bocht, maar zien wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid. De samenleving heeft jarenlang vooral theoretische opleidingen gewaardeerd, terwijl praktisch en technisch werk minder aanzien kreeg. Tegelijkertijd heeft de sector tijdens eerdere crises mensen verloren die vervolgens niet meer terugkeerden.
Ook de ontwikkeling van het werk zelf speelt een rol. Automatisering maakt productie efficiënter, maar kan het traditionele vakmanschap minder zichtbaar maken. Terwijl een vakman vroeger een product van begin tot eind maakte, bedient hij nu mogelijk een machine die een groot deel van het proces uitvoert. De uitdaging is volgens de deelnemers om techniek en vakmanschap opnieuw aantrekkelijk te maken.
Daarvoor moeten bedrijven ook zelf in actie komen. Wie personeel zoekt, kan niet wachten tot jongeren zich vanzelf melden. Contact met mbo-scholen, opleidingen en brancheorganisaties is noodzakelijk. Zeker kleinere bedrijven kunnen daarbij samenwerking nodig hebben om voldoende schaal te creëren.
Tegelijkertijd moet bestaande kennis beter worden benut. De branche leunt sterk op medewerkers die soms tientallen jaren ervaring hebben. Die kennis moet niet verdwijnen zodra zij vertrekken. Het vastleggen en toegankelijk maken ervan kan nieuwe medewerkers sneller op weg helpen. Daarmee ontstaat direct een verbinding met AI, het onderwerp van de volgende discussie.
Schaarste is dus niet alleen een probleem van buitenaf. De branche moet zelf opnieuw nadenken over de aantrekkelijkheid van het vak, de verbinding met het onderwijs en de manier waarop kennis wordt overgedragen. Niet alleen het huidige tekort oplossen, maar voorkomen dat over vijf of tien jaar hetzelfde probleem opnieuw ontstaat.
Werd AI nog maar kortgeleden vooral gezien als iets voor de toekomst, tijdens het rondetafelgesprek blijkt dat het bij de deelnemers midden in de bedrijfsvoering staat. Ze zien vooral kansen, maar benadrukken dat bedrijven niet allemaal afzonderlijk het wiel opnieuw moeten uitvinden. De ontwikkelingen gaan zo snel dat kennisdeling hieromtrent ook binnen de branche belangrijker wordt.
De grootste winst zit volgens de deelnemers niet in het gebruik van één specifieke tool, maar in het opnieuw bekijken van processen. Welke werkzaamheden voegen weinig waarde toe? Waar zitten repetitieve handelingen? En welke taken kunnen worden ondersteund, zodat medewerkers meer tijd overhouden voor werk waarin ervaring, beoordeling en vakkennis nodig zijn.
Daarmee is AI volgens de tafel veel meer dan een handige tekstgenerator. Het ondersteunt de klantenservice, administratieve processen, onderhoudsvoorspellingen en het toegankelijk maken van bedrijfskennis, maar helpt ook bij controles op afwijkingen in het productieproces. Een interessant voorbeeld dat werd geopperd is een soort ‘levelsysteem’ waarbij medewerkers een bepaald AI-niveau krijgen en vervolgens kunnen doorgroeien. AI wordt daarmee onderdeel van de professionele ontwikkeling. Faciliteer een cursus ‘prompten’ en een abonnement op een AI-tool als een vorm van ‘modern gereedschap’, zo wordt er geopperd.
Tegelijkertijd klinkt er wel een duidelijke waarschuwing. AI kan overtuigend klinkende antwoorden geven die niet kloppen. Controle en kritisch denken blijven dus noodzakelijk. Het vakmanschap verdwijnt niet, maar krijgt mogelijk een andere rol. De deelnemers zien AI daarom vooral als een middel om bestaande kennis beter te benutten en processen anders in te richten. Wie het uitsluitend als een losse tool beschouwt, mist volgens hen een groot deel van de ontwikkeling.
De laatste stelling zorgt voor de meeste reuring. Een deel van de deelnemers herkent de frustratie. Er zijn veel regels en volgens hen -sluiten ambities en uitvoering niet altijd op elkaar aan. De woningbouw wordt daarbij als voorbeeld genoemd: er wordt gevraagd om grote aantallen woningen te realiseren, terwijl bijvoorbeeld beperkte capaciteit op het elektriciteitsnet de uitvoering kan bemoeilijken.
Ook de duurzaamheidseisen worden genoemd. Volgens de deelnemers ontbreekt het soms aan een langetermijnvisie. Beleidskeuzes hebben gevolgen die veel langer duren dan één politieke termijn, terwijl de benodigde infrastructuur en randvoorwaarden niet altijd gelijktijdig worden ontwikkeld.
Tegelijkertijd wordt de stelling genuanceerd. De branche kan niet alle verantwoordelijkheid bij de overheid leggen. Bedrijven moeten zelf voldoen aan eisen rond bijvoorbeeld CE-markering en milieudata. Bovendien gaat het niet alleen om de hoeveelheid regels, maar ook om handhaving. Wanneer producten van buiten Nederland niet aan dezelfde eisen voldoen, kan volgens de deelnemers een ongelijk speelveld ontstaan.
Ook de vraag naar de eigen verantwoordelijkheid van de samenleving komt op tafel. De overheid wordt immers door burgers gekozen. Daarmee is het te eenvoudig om haar uitsluitend als tegenstander te beschouwen. Wel roepen de deelnemers op om te komen tot een kiesdrempel. Het politieke landschap is nu wel heel versnipperd en dat komt de slagkracht niet ten goede, zo klinkt het.
Overall laat de discussie vooral zien dat overheid en branche afhankelijk van elkaar zijn. De overheid moet zorgen voor duidelijke, uitvoerbare en op langere termijn gerichte kaders. De branche moet tegelijkertijd haar eigen verantwoordelijkheid nemen en zich actief aan tafel melden om duidelijk te maken wat in de praktijk wel en niet werkt.
Als we de vier stellingen naast elkaar leggen, zien we dat de vraag ‘samenwerken of ieder zijn eigen verantwoordelijkheid?’ eigenlijk geen tegenstelling hoeft te zijn. Om als branche slagvaardig en internationaal concurrerend te blijven, zijn beide nodig. Bedrijven zullen zelf keuzes moeten maken over hoe zij omgaan met personeel, kennisontwikkeling en AI, maar sommige vraagstukken zijn te groot om individueel op te lossen. De branche kan meer bereiken door kennis te delen, gezamenlijk op te trekken richting onderwijs en overheid en ervaringen met nieuwe technologie met elkaar uit te wisselen. Samen slagvaardig, luidt het devies.
Met dank aan: Bas van den Eerenbeemt (Gealan), Erwin de Voys (Deceuninck), Jurgen Rensen (Venster Techniek), Marco Pels (Fuhr Benelux), Ronald van Driel (Geze Benelux), Pascal van Meerten (Buva), Arjen Veltman (VKG keurmerk) en Joska Hissink (Siegenia).
Het rondetafelgesprek werd gemodereerd door moderator Jerry Helmers.